Intern verslag 38

Archiefonderzoek Gevangenpoort


Inleiding

Dit verslag bevat de resultaten van een beperkt archief - en literatuuronderzoek dat in het najaar van 1996 werd uitgevoerd ten behoeve van het archeologisch onderzoek naar de Gevangenpoort in 's-Hertogenbosch. Doelstelling was om vanuit de middeleeuwse geschreven bronnen aanvullend inzicht te krijgen in de topografie en de functie van de poort en haar naaste omgeving.
Voor de bronnen werd hoofdzakelijk geput uit de in het Oorkondenboek Noord-Brabant uitgegeven oorkonden, uit het door de onderzoeker opgebouwde bestand van oorkonden over onroerend goed uit de periode 1312-1380 en uit het Bosch' protocol. Door verwijzingen werd ook een aantal gegevens ontleend aan de zogeheten Loketkast II in het gemeentearchief.
De schepenakten uit het Bosch' protocol werden geraadpleegd aan de hand van de door F. Smulders en M. Spierings vervaardigde fiches. De gegevens bleken zich zeer verspreid in dit kaartensysteem te bevinden. Relevant materiaal werd aangetroffen in de laden 294 (rubriek: Bakstenen en andere stenen (sic), 296 (rubriek: Ingebieders), 303 (rubriek: Gevangenpoort), 307 (rubriek: Gevangenpoort), 311 (rubriek: Hinthamerstraat), 332 (rubriek: Waterstraat (bij de Gevangenpoort)). Het is heel goed mogelijk dat er ook elders nog relevante fiches in de kaartenbakken zitten - vóór 1400 ontbreken de gegevens nagenoeg - maar ik heb ze niet kunnen traceren. Om met vrucht van dit 'systeem' gebruik te kunnen maken, lijkt me herordening een dringende noodzaak. Maar ondanks de gebreken was het toch wel mogelijk om in betrekkelijk korte tijd enig inzicht in de vroege geschiedenis van de Gevangenpoort en haar omgeving te verkrijgen.
Als literatuur werden hoofdzakelijk geraadpleegd de dissertatie van B.C.M. Jacobs, Justitie en politie in 's-Hertogenbosch voor 1629 (Maastricht 1986) en haar artikel 'Van gevangenpoort tot huis van bewaring' (Bosboombladeren 37 (dec. 1989), 50-61); verder A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huisen en gebouwen van 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch 1910-1914) en A. Hallema, 'Bossche gevangenissen en gevangenen.
Een bijdrage tot de geschiedenis van het gevangeniswezen in de stad 's-Hertogenbosch', Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde, 7de rks., dl. 3 (1933), 59-94 en 263-288, dl. 4 (1934), 62-88.

De rechten op de poort.

Een van de interessantste aspecten van de Gevangenpoort vormen de rechten die erop werden uitgeoefend. Al uit de oudste gegevens blijkt dat de hertog de poort erfelijk in cijns had uitgegeven.
Op 28 december 1297 gaf deze het officium preconatus et porte captivorum in Buscoducis, dictum theutonice vorsterie, 'het ambt van de gerechtsbode en van de Gevangenpoort in 's-Hertogenbosch, in het Duits vorsterij geheten' voor 6 pond Leuvens per jaar erfelijk uit aan Hendrik van Dijk van Veldhoven.1 Zowel uit de hoogte van het bedrag als uit de betaaldagen - Sint-Jan de Doper (24 juni) en Kerstmis (25 december) - kan worden afgeleid dat het niet om een oorspronkelijke uitgifte ging. De oude tijzen werden immers betaald op Sint-Maarten (11 november) en daarbij ging het om bedragen van slechts enkele penningen.2
Toch was de uitgifte in 1297 niet de oudste, want in de oorkonde werd gezegd dat Wouter Veghewinkel het ambt eertijds van de hertog had gehouden. Mogelijk heeft een vermelding van de betaling uit 1281 van een cijns aan de hertog of zijn ontvanger supra portam, 'op de poort', op de Gevangenpoort betrekking.3 De poort zou dan als hertogelijk inningscentrum gediend kunnen hebben. Enige zekerheid daarover bestaat echter niet.
Dat de hertog de poort had uitgegeven is merkwaardig, omdat de oude stadsmuur, waarin de poort zich bevond, aanvankelijk van de stad was. In de jaren vijftig van de veertiende eeuw zien we de stad stukken van deze muur aan Bossche burgers uitgeven.4 Van een recht van de stad op de poort blijkt daarentegen niets. Uit een andere oude poort in de Vughterstraat, de Jodenpoort, werden in 1354 cijnzen betaald aan de hertog voor de daartoe behorende bebouwing (mansionibus) en aan de stad voor de poort zelf. Op 22 juli van dat jaar werd deze poort met haar toebehoren door Gerrit Jansz. van de Steen de smid in jaarlijkse en erfelijke cijns gegeven aan Jan Schrage de kannengieter.5
De Gevangenpoort is gedurende lange tijd van de hertog in cijns gehouden. Op 13 april 1356 werd zij uitgegeven aan de hertogelijke schenker Elias Jansz. Loys. Zij was eerder in het bezit geweest van Hendrik van Genderen, die echter vanwege een door hem begane doodslag van zijn recht vervallen was verklaard. Hendrik van Genderen had voor zijn recht 3 pond per jaar betaald, maar bij deze nieuwe uitgifte werd de cijns met 3 pond en 10 schellingen verhoogd.6 In de oorkonde uit 1356 werd niet gesproken over het vorsterambt, maar uit de latere gegevens blijkt dat dit aan het bezit van de poort verbonden is gebleven. Ik kom daar nog uitvoeriger op terug.
Deze latere gegevens maken duidelijk dat de poort en het daaraan verbonden vorsterambt in tweeën gesplitst was. Mogelijk was dat al in 1356 het geval. Een schepenakte van 20 oktober 1425 gaat over de helft van de poort die gelegen was naar de Kerkstraat toe - de zuidelijke helft dus. In die akte wordt verwezen naar de uitgifte aan Elias Jansz. Loys, waarbij uitdrukkelijk wordt gezegd dat het om de helft ging.7
Toch kan daar een vraagteken bij gezet worden, want de hertogelijke cijns voor die helft bedroeg in 1425 3½ pond - dus 3 pond en 10 schellingen - in plaats van de in 1356 genoemde 6 pond en 10 schellingen. Zoals we dadelijk zullen zien, werd uit de andere helft van de poort 3 pond betaald. Over beide helften werd dus tezamen het bedrag betaald dat in de oorkonde van 1356 werd vermeld. Men kan dus aannemen dat in 1356 de poort met het bijbehorende vorsterambt nog ongesplitst was.
a. De zuidelijke helft

Wanneer de splitsing heeft plaatsgevonden, is niet geheel duidelijk geworden.8 In de oorkonde van 20 oktober 1425 gaven Jan Jansz. Weert en Tielman Lodewijk Tielmansz. de zuidelijke helft aan Willem Florisz. Snavel.9 De akte vermeldt dat Jan Weert die helft van Jacob Jan Jansz. Loze en dat eerder Hendrik van Genderen haar van Willem van der Poorten, schoonzoon Ludeke van der Poorten had verkregen. Met deze laatsten zal dus de bezitsgeschiedenis in ieder geval tot in de eerste helft van de veertiende eeuw zijn terug te voeren.
In 1411 was de poort al in het bezit van Jan Weert, zoon van wijlen Jan Weert, en van Lodewijk Tielmansz. van Nederijnen, die gehuwd was met Elizabet dochter van wijlen Jan Weert. Zij zullen dus de poort geërfd hebben van de toen al overleden zijnde Jan Weert.10
Op 6 april 1411 erkende Jan Jansz. Weert dat van het recht van zijn vader de ene helft aan Lodewijk Tielmansz. van Neerijnen en de andere helft aan hemzelf toebehoorde. Lodewijk verhuurde vervolgens zijn vierde deel in de poort en het ambt aan Jan.11 Op 5 september 1413 verhuurden zij weer samen de helft van poort en ambt voor vier jaar aan Jan Quappe, zoon van Frank Nolleke.12 Naast de cijns van 3 pond en 10 schellingen moest Jan n Quappe daarvoor 38 Rijnsgulden per jaar betalen.
Ook vestigde Jan Weert enkele keren cijnzen op zijn aandeel.13

b. De Noordelijke helft

Het oudste gegeven over de noordelijke helft dat ik heb kunnen traceren dateert van 10 december 1395, toen Ludolf van Bommel een cijns van 25 oude schilden betaalde?, die Dirk Buc aan Arnold Berwout beloofd had ex officio preconis dicto communiter vorsterye, 'uit het ambt van bode gewoonlijk vorsterij genoemd', en uit het aandeel van Dirk in de Gevangenpoort en zijn toebehoren.14 Op 3 augustus 1413 erkende Hendrik van Volkel dat hij de helft van de poort voor drie jaar had gehuurd van Klaas Meersken en Elizabet weduwe van wijlen Hendrik Buc.15
Klaas Meersken was een zoon van Jan van Dommelen.16
Een veel later gegeven maakt duidelijk hoe dezen aan hun recht zijn gekomen. Klaas Meersken was gehuwd met Cecilia dochter van Dirk Dirksz. Buc. Volgens een schepenakte van 31 januari had deze laatste de helft van poort en ambt verkregen van Willem van der Poorten.17 Hendrik Buc zal zijn aandeel eveneens via erfenis van Dirk Dirksz. Buc hebben verkregen. Dat Dirk Buc een zoon Hendrik had, blijkt namelijk uit een schepenakte van 25 juni 1389. Op die datum droeg Dirk Buc zijn stenen huis aan de Markt over aan zijn zoon Hendrik gehuwd met Elizabet dochter van Hendrik van Uden en aan zijn dochter Celia gehuwd met Klaas van Giessen zoon van wijlen Jan van Dommelen.18
Klaas van Giessen kan geïdentificeerd worden met Klaas Meersken, wiens vader immers eveneens Jan van Dommelen heette.

c. Genealogie van de oudste rechten op de poort

Willem van der Poorten zijn we tegengekomen bij beide helften
van de poort. Hij zal dus nog in het bezit van de hele Gevangenpoort geweest zijn. Op grond van voorgaande gegevens laat zich de volgende genealogie van de vroege rechten op de Gevangenpoort en het vorsterambt opstellen:
In de dertiende eeuw werd het hele complex gehouden door Wouter Veghewinkel en vanaf 28 december 12 97 door Hendrik van Dijk van Veldhoven. Daarna bezat Willem van der Poorten nog de hele poort. Onder hem werd het complex gesplitst. De zuidelijke helft kwam in handen van Hendrik van Genderen en de noordelijke van Dirk Dirksz. Buc.
De zuidelijke helft kwam vervolgens door verbeurdverklaring wegens doodslag op 13 april 1356 in het bezit van de hertogelijke schenker Elias Jansz. Loys, later was zij in handen van Jan Weert. Deze helft werd vervolgens vóór 1410 verdeeld tussen diens kinderen Jan Weert en Elizabet. De laatste was gehuwd met Lodewijk Tielmansz. van Neerijnen.
De noordelijke helft van de poort werd na 1389 verdeeld tussen Dirk Bucs kinderen Hendrik Buc en Cecilia, die gehuwd was met Klaas Meersken (alias van Giessen).

Het vorsterambt

Het ambt van gerechtsbode, dat in de oudste bronnen wordt aangeduid als vorsterij,19 heet in de wat jongere schepenakten ook het ingebiedersambt. Het zogeheten recht van ingebod hield in dat personen, die buiten de stad en haar vrijdom woonden, voor de schepenbank konden worden gedaagd.20 Het recht gold voor de hele Meierij van Den Bosch en daarbuiten ook nog over het Land van Ravenstein, Uden, Herpen, Megen, Oyen, Lith, Gemert, Poppel, Weelde en Ravels. Het ingebieden werd gedaan door de ingebieder - na de splitsing van het ambt door de twee ingebieders. Zij droegen een rode roede en bereden een wit paard. Personen binnen de stad en haar vrijdom werden gedaagd door een van de drie zogeheten groenroeden, die als teken van hun ambt een groene roede droegen.21
De ingebieders waren tevens cipier van de Gevangenpoort. Zij hielden er zowel degenen die wegens schuld gegijzeld waren als de preventief in hechtenis genomen personen in bewaring. De poort en het ingebiedersambt werden doorgaans telkens voor enkele jaren 'verhuurd' door degenen die het erfelijk van de hertog hielden. Zo erkende op 3 augustus 1413 Hendrik van Volkel dat hij de helft van de poort met haar toebehoren voor drie jaar gehuurd had van Klaas Meersken en Liesbet de weduwe van Hendrik Buc.22 De andere helft werd op 5 september door Lodewijk van Neerijnen en Jan Weert voor vier jaar verhuurd aan Jan Quappe.23 Deze moest jaarlijks de 3 pond en 10 schellingen die uit deze - zuidelijke - helft van de poort gingen aan de hertog betalen en 38 Rijnsgulden aan de verhuurders, Lodewijk van Neerijen en Jan Weert. Wanneer er iemand die vanwege de hertog gevangen werd gehouden zou ontsnappen door nalatigheid van Jan Quappe of zijn personeel, dan moest hij 200 Engelse nobels aan de verhuurders betalen.

De verhuurders konden niet aangesproken worden wanneer Jan Quappe van de heer - de hertog dus - en de schepenen geen toestemming zou krijgen om het ambt uit te oefenen. Hieruit blijkt dat ondanks het verhuren van de ambten van ingebieder en
cipier de feitelijke aanstelling bij de hertog en de schepenen berustte.
Een uitgifte van de noordelijke helft van 3 juli 1431 bevatte onder meer de bepaling voor de huurder, Jan Houbraken, om dak en wanden van de poort en de 'ijzeren instrumenten nodig voor de gevangenen' in goede staat te houden.24 De beide cipiers maakten ook samen afspraken. Op 10 maart 1427 kwamen Jan van Varlar en Marcel van Heukelom overeen dat elk van hen de eigen 'gasten' - de Latijnse tekst spreekt van hospites - op eigen risico zou bewaken, behalve degenen die in de syppum vel cancellam dictam die ghyoel gevangen werden gehouden.25 Het gaat bij dit laatste om een onderaardse gayool of 'diefput' voor de zwaarste delinquenten.26 Blijkbaar gold hier een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de cipiers. Ook werd blijkens de overeenkomst van 10 maart 1427 het door de gevangenen bij hun vrijlating verschuldigde yserghelt gezamenlijk gedeeld.
Het voert te ver om in dit kader en binnen het beschikbare budget nog nader op het functioneren van de poort en haar cipiers in te gaan. Pro memorie wordt hier slechts opgemerkt dat bestudering van de beschikbare bronnen gedetailleerde informatie oplevert.

De omgeving van de poort

a. Noordzijde onder de poort

Al vanaf het begin van de veertiende eeuw zijn gegevens bewaard gebleven over goederen die bij de Gevangenpoort gelegen waren. Zo verkocht op 8 september 1310 Gozeke zoon van wijlen Ludolf van den Steene zijn recht op de mansio gelegen onder de Gevangenpoort 'of in het erf aldaar gelegen daartoe behorende' aan Thomas van Uden.27 Uit het goed ging een jaarlijkse en erfelijke cijns. Een dorsale aantekening op de oorkonde uit de veertiende eeuw spreekt van onsen zi[k]en van der gevanghen porte ende van II husen daer bij gheleghen sijn. Het betreft hier kennelijk inkomsten van de Tafel van de Heilige Geest, in het archief waarvan de oorkonde bewaard wordt, ten behoeve van zieke gevangenen. Het is mij niet duidelijk geworden waar deze twee huizen stonden.
Er zijn meer gegevens die spreken van een huis onder de poort. Op 19 juli 1343 gaf Hendrik Vos van den Heuvel de schoenmaker zijn woning steen geheten, gelegen onder de Gevangenpoort, strekkende achter tot aan de kerker, met zijn toebehoren voor 6 pond in jaarlijkse en erfelijke cijns aan Arnold Schout,28 40 schellingen uit deze cijns werden op 24 oktober 1360 door de dochter van Hendrik en haar man verkocht aan Jacob van Gennep.29 Op 5 februari 1423 werden deze 40 schellingen overgedragen aan de kinderen van Oda weduwe van Klaas van Stakenborch.30
Van het goed zelf werd op 13 augustus 1403 het vierde deel door broeder Laurens zoon van Dirk Schout de schoenmaker overgedragen aan zijn broer Peter Crabbart.

Er was toen sprake van een huis en erf onder de Gevangenpoort en een daarachter gelegen huis aan het water.31 Op 29 januari 1410 verkochten Arnold Schout en de schoenmaker en zijn broer Dirk de helft in de woning en keuken van hun vader wijlen Dirk
Schout onder de Gevangenpoort aan de zijde naar de kerker toe en de helft in de tuin achter dat huis naast de poort aan hun broer Peter Crabbart.32 Op 14 december van datzelfde jaar deed broeder laurens ten behoeve van Peter afstand van het volledige woonhuis onder de Gevangenpoort aan de zijde naar het openbare water toe.33
In houd het erop dat het hier om Hinthamerstraat 8 ging. Waarschijnlijk is Hinthamerstraat 10 bedoeld met een huis en erf dat op 20 januari 1352 gesitueerd werd tussen de Gevangenpoort en de oude stadsmuur aan de ene kant en het erf van Arnold Schout aan de andere kant.34 Dit zou betekenen dat dit perceel minder diep was dan dat van Arnold Schout en dat dit laatste aan de achterzijde aan de muur, of althans aan het Rozemarijnstraatje, grensde.

b. De kerker ten noorden van de poort

In de bronnen is sprake van de carcer of kerker, die niet geïdentificeerd mag worden met de poort zelf. Behalve de hiervóór genoemde oorkonden van 19 juli 1343, 24 oktober 1360 en 29 januari 1410 maakt ook een akte van 23 juni 1348 melding van deze kerker. Het gaat daarbij om vijf kameren bij de Gevangenpoort, strekkende van de Hinthamerstraat naar de kerker toe tot aan de kamer van Philips van Vught de snijder.35 Op die datum droeg Hendrik zoon van Aleid van der Poorten deze kamers over aan Dirk Gheghel ten behoeve van de natuurlijke kinderen die Hendrik bij Elizabet geheten Lijsmoye had verwekt. Een van die kinderen, net als zijn vader Hendrik geheten, droeg op 2 juni 1397 zijn aandeel dat hij krachtens testament van zijn moeder bezat in vier kameren over aan Elizabet dochter van wijlen Ludeke van der Poorten. Deze kameren werden bij die gelegenheid gesitueerd in de straat van de Hinthamerstraat tot aan het openbare water tussen het erf van Elizabet Lukens - zonder twijfel de zojuist genoemde dochter van wijlen Ludeke - aan de ene en de Hinthamerstraat aan de andere kant, strekkende van de straat tot aan de oude stadsmuur, met het recht om in die muur te bouwen.36 Deze kameren lagen dus naar alle waarschijnlijkheid aan de westzijde van de Korte Waterstraat.
Op 3 januari ging Hendrik een erfdeling aan met de kinderen van zijn zuster Jutta over de nagelaten goederen van hun moeder Elizabeth de Moy (!). De situering luidde in deze akte: in de straat strekkende van de Gevangenpoort tot aan het openbare water, tussen de straat en tussen de oude stadsmuur. Aan het ene eind grensden zij aan het erf van Elizabet Lu(de)kens en aan het andere aan de straat die door de Gevangenpoort ging, de Hinthamerstraat dus.37 Het erf van Elizabet zal dus in de buurt van het water gelegen hebben. En inderdaad, op 9 februari 1398 vestigden Elizabet en haar kinderen een jaarlijkse en erfelijke cijns van drie pond op haar huis en erf 'in de straat strekkende van de Gevangenpoort naar het openbare water naast de kerker aan de zijde van die kerker naar de Hinthamerstraat toe, tussen het openbare water aan de ene en tussen het erf van wijlen Elizabeth geheten Lizemoye aan de andere zijde'.38
De kerker grensde dus aan de Dieze39 en aangezien er sprake is van de zijde van die kerker naar de Hinthamerstraat toe, kan men zich afvragen of hier geen sprake is van een waterpoort.
c. Tussen Markt en poort (zuidzijde)

Aan de zuid zijde van de poort is de situatie tamelijkondoorzichtig. De cijnsregisters van 1520 en 1573 laten een hiaat zien tussen Hinthamerstraat 21 en Hinthamerstraat 9-11.40 De bebouwing die daartussen stond heeft mogelijk tot de poort zelf behoord.
Merkwaardigerwijs lijkt het erop dat in de cijnsboeken ook aan deze zijde van de poort een kerker wordt vermeld, en wel bij het perceel Markt 27. In 1520 luidt dat: Iohannes Heer carnifex de XVI½ ped. VII d. Idem de camera iuxta carcerem I d.41 Maar het is de vraag of met die carcer niet gewoon de poort zelf is bedoeld. Het register van 1573 heeft: Anthonis van Diepenbeeck van XVI½ voeten ende camere bij de Gevangenpoorte - VIII d. oudts.42 De kamer zal dan achterop het perceel Markt 27 hebben gestaan.
Van Sasse van Ysselt maakt melding van een schepenakte uit 1526 betreffende de zuidelijke helft van de poort. Daarin wordt melding gemaakt van de helft van een huis en erf bij de Markt naast de Gevangenpoort tussen de oude stadsmuur aan de ene kant en het erf eertijds van Willem van den Arennest aan de andere kant. Het perceel strekte zich achterwaarts uit tot aan een stal. Dit onroerend goed zou het recht zijn geweest dat Wouter van Berze had om in de stadsmuur te bouwen. Ook was sprake van de helft van mansio anterior van Wouter van Berze onder de Gevangenpoort en de helft van een stenen muur 'staande tusschen de voormelde helft van een huis en erf en de wederhelft daarvan, welke halve muur begrensd werd door laatstbedoelde wederhelft', toebehorend aan Dirk Rovers de bakker aan de ene en het erf van het Groot Ziekengasthuis aan de andere zijde en zich uitstrekkend vanaf de genoemde mansio tot aan de stal, toebehorend aan Godfried Heerkens.43 Wellicht was deze laatste een zoon van de hierboven genoemde Jan Heer de vleeshouwer.
De hier genoemde personen waren in 1526 allang dood. Op 14 oktober 1410 maakten kleinkinderen van Wouter van Berze een erfdeling van diens goederen. Krachtens deze deling kreeg Wouter Jansz. die Rijc een huis en erf bij de Markt tussen de Gevangenpoort en de stadsmuur aan de ene kant en het erf van Anold Schouten de schoenmaker, toen Willem van den Arennest, aan de andere kant, samen met een stuk van de stadsmuur. In dat huis was Jan Watermael overleden. Wouter die Rijc droeg dit complex vervolgens over aan Dirk Rover, zoon van wijlen Dirk Rover van Oyen.44
Op 27 februari 1411 deed Wouter die Rijc afstand van de helft van de stenen muur met de grond waarop die stond en een stukje erf ten behoeve van Willem van den Arennest. Eerder hadden Wouter van Berze, Jan de zoon van wijlen Simon Watermael en Dirk Dirksz. Rover van Oyen als echtgenoot van Hille dochter van Wouter van Berze dat complex aan Willem van den Arennest verkocht.

Het huis waartoe die muur behoorde, werd gesitueerd naast het erf van Willem en de muur strekte zich uit van de openbare straat tot aan de gevel of schoorsteen in Willems huis en verder naar achteren ter breedte van die gevel, namelijk die helft van de stenen muur die naar het erf van Willem gelegen
was. Het stukje erf lag naast die helft van de muur en ter lengte van die muur; het was bestemd voor de drup van het huis van Walter, Jan en Dirk Rover. Uit de akte blijkt verder dat Simon Watermael een broer was van Wouter die Rijc.45
Een ander complex aan de zuidzijde van de Gevangenpoort komt voor in een akte van 26 juni 1368. Toen verhuurde Agnes de weduwe van Jan Priver voor twee jaar een huis en erf in de straat van de Markt naar de Gevangenpoort tussen het erf van Wouter van Be(e)rze en het erf van Jutte Snelleken aan Peter Gast de zadelaar.46 Het lijkt hier steeds te gaan om bebouwing aan de zuidzijde van de Hinthamerstraat (de nummers 3 tot en met 11) tussen de Markt en de stadsmuur. Alleen voortgezet onderzoek zou mogelijk een nauwkeurige situering van deze complexen kunnen opleveren.
1.ONB I, nr. 565.
2.Volgens het Bossche stadsrecht van 1284 bedroeg de cijns voor een heel erf 12 en voor een half erf 6 penningen (ONB I, nr. 399, par. 54).
3.ONB I, nr. 378 (1281 september 15).
4.Zie bv. GAH, Tafel van de H. Geest 393 (1356 februari 22), waarbij een deel van deze muur verkocht werd.
5.GAH, Tafel van de H. Geest, nr. 1236 (opgenomen in een oorkonde van 1398 april 19): pro censibus domini nostri ducis de dictis mansionibus annuatim solvendis atque pro annuo et hereditario censu viginti solidorum opido de Buscoducis de dicta porta annuatim solvendo.
6.GAH, Loketkast II, doos Hinthamerstraat (Gevangenpoort). De oorkonde is opgenomen in een 15de eeuws afschrift en een vidimus van de Bossche schepenen van 28 november 144 3. Een vidimus van dezelfde datum bevat de oorkonde van 28 december 1297, opgenomen in een vidimus van de prior van Bazeldonk van 6 maart 1365. Van dit laatste vidimus bevindt zich ook het origineel onder de stukken.
7.GAH, R. 1197, fol. 40v.
8.Zie de in de inleiding gemaakte opmerking over het gebrek aan gegevens vóór 1400.
9.GAH, R. 1197, fol. 40v. Eerder had Govert Arnoldsz. van Erp het aandeel van Jan Weert - waarschijnlijk de overleden vader van zijn gelijknamige zoon Jan - verkregen. Govert deed daarvan afstand ten behoeve van Willem Snavel. Op 15 januari 1427 verkocht Willem Snavel zijn helft van poort en ambt op zijn beurt weer aan Jacob van Geel, die haar op 27 januari van datzelfde jaar overdroeg aan Jan Jansz. van Varlar (GAH, R. 1196, fol. 28).
10.GAH, R. 1187, fol. 29. De in de betreffende akte beoorkonde rechtshandeling is niet voltrokken. Zij staat tussen oorkonden van 1 december 1410.
11.GAH, R. 1187, fol. 112v.
12.GAH, R. 1188, fol. 238v-239.
13.Op 16 februari 1420 een cijns van 12 pond (GAH, R. 1191, fol. 366 nw.) en op 28 augustus 1423 een cijns van 6 pond (GAH, R. 1193, fol. 427 nw.).
14.GAH, R. 1189, blz. 381.
15.GAH, R. 1188, fol. 471.
16.Op 16 augustus 1413 werd hij zo genoemd, toen hij een cijns van 8 pond op zijn deel van de Gevangenpoort vestigde (GAH, R. fol. 480).
17.GAH, Loketkast II, doos Hinthamerstraat (Gevangenpoort).
18.GAH, R. 1178, fol. 244. Het ging hierbij om het huidige Pensmarkt 22-24, het noordelijk deel van het oude hertogs-, later Lombardenhuis (zie mijn verslag over het minderbroedersklooster, blz. 9-11).
19.ONB I, nr. 565 (1297 december 28): officium preconatus et porte Captivorum in Buscoducis, dictum Theutonice vorsterie; GAH, R. 1180, blz. 381 (1395 december 10): ex officio preconis dico communiter vorsterye; R. 1182, blz. 98 (1400 mei 28): ex officio preconatus dico communiter vorstery; R. 1185, fol. 172 (1407 juli 14): forestaria.
20.GAH, R. 1193, fol. 176 nw. (1423 februari 27) spreekt van iure provocationis infra villicationem opidi de Buscoducis quod exponetur uyten inghebyerecht bynnen der meyerien vanden Bosch.
21.Zie Jacobs, Politie en justitie, 81-82.
22.GAH, R. 1188, fol. 471.
23.GAH, R. 1188, fol. 238v-239.
24.GAH, R. 1201, fol. 257v.
25.GAH, R. 1197, fol. 341v: demptis illis qui infra syppum vel infra cancellam dictam die ghyoel detenentur ac pro tempore detenebuntur.
26.Hallema, 'Bossche gevangenissen en gevangenen' (1933), 65; Jacobs, 'Van gevangenpoort tot huis van bewaring', 51.
27.ONB I, nr. 828: totam partem suam et totum ius quam et quod habebat seu habere debebat in mansione sita subtus portam dictam ghevanghenderporte seu in area ibidem sita.
28.GAH, Tafel van de H. Geest, nr. 271: habitationem suam dictam steen sub Captivorum porta opidi de Buschoducis, tendentem retrorsum versus carcerem.
29.T.a.p., nr. 484a.
30.GAH, R. 1193, fol. 304 nw.
31.GAH, R. 1183, fol. 183v: in domo et area subtus portam Captivitatis ibidem atque in domo et area sita ibidem retro dicta domo et area supra aquam ibidem currentem.
32.GAH, R. 1186, fol. 319: medietatem in habitatione et coquina sub porta Captivorum in latere versus carcerem, atque medietatem in ortu sito retro habitationem predictam contique iuxta portam predictam.
33.GAH, R. 1187, fol. 37v: integra mansione subtus portam Captivitatis ibidem in latere versus communem aquam.
34.GAH, Tafel van de H. Geest, nr. 347: domo quadam et area sita in Buschoducis apud Forum iuxta portam Captivorum inter eandem portam et murum antiquum oppidi de Buschoducis consistentem ibidem ex uno latere et inter hereditatem Anoldi Schout sutoris ex alio latere.
35.GAH, Tafel van de H. Geest, nr. 309: quinque cameras cum earum fundis consistentes in Buscoducis iuxta portam Captivorum, tendentes de vico Hynthamensi versus carcerem uique ad cameram Philippi de Vucht sartoris.
36.GAH, R. 1180, blz. 761: in vico tendente a vico Hijnthamensi retrorsum usque ad communem aquam ibidem, inter hereditatem Elizabet dicte Lukens ex uno et inter dictum vicum Hijnthamensem ex alio, tendentibus a predicto vico antiquum murum oppidi de Buscoducis.
37.GAH, R. 1181, blz. 84 (fol. 42v. oud): ad vicum tendentem a porta Captivorum versus communem aquam ibidem, inter eundem vicum ex uno et inter antiquum murum oppidi de Buscoducis ex alio, tendentibus cum uno fine ad hereditatem Elizabeth dicte Ludekens et cum reliquo fine ad communem pla team transeuntem per dictam portam Captivorum.
38.GAH, R. 1181, blz. 189 (fol. 95 oud): in vico tendente a porta Captivorum versus communem aquam contique iuxta carcerem in latere eiusdem carceris versus vicum Hijnthamensem, inter communem aquam ex uno et inter hereditatem quondam Elizabet dicte Li ze moye ex alio.
39.Nog een vermelding: GAH, R. 1192, fol. 277v (1421 maart 22?): in vico dicto die Waterstraet inter hereditatem Godefridi de Driel ex uno et inter carcerem ibidem ex alio.
40.RA Brussel, Rekenkamers 45067 (1520), fol. 39. Nr. 21: Hospitale de area Thome Balans de XVII½ ped. VII½ d. Nr: 9-11: Gerardus Goyarts z. hantscoemeker de XX ped. VlII½ d.; RANB, Raad en rentmeester-generaal 280 (1573), fol. 42. Nr. 21: tZelve [gasthuys] vander erffenisse Thomas Belants - van XVII½ voeten VII½ d. oudts. Nr. 9-11: Jan vander Meer van XX voeten - VIII½ d. oudts.
41.RA Brussel, Rekenkamers 45067, fol. 39.
42.RANB, Raad en rentmeester-generaal 280, fol. 43.
43.Dl. III, 290-291.
44.GAH, R. 1187, fol. 81v-82: domus et area sita in Buscoducis iuxta Forum loei inter portam Captivorum et murum dicti oppidi de Buscoducis ex uno et inter hereditatem Arnoldi Schouten sutoris, nunc ad Willelmum vanden Arennest spectantem, ex alio, simul quadam parte muri oppidi de Buscoducis predicti, prout huiusmodi domus et area ac pars muri ibidem siti sunt et dictus quondam lohannes Watermael in eisdem decessit.
45.GAH, R. 1187, fol. 82: medietatem muri lapidei cum suo fundo domus ad ipsos spectantis, site in Buscoducis iuxta portam Captivorum contique iuxta hereditatem Willelmi dicti vanden Arennest sellipari, et qui murus lapideus tendit a communi platea ibidem retrorsum usque ad edificium dictum ghevel seu epycaustorium dictum schoersteen situm in domo dicti Willelmi ibidem consistente et demum (?) ulterius usque ad latitudinem seu spissicitudinem eiusdem ghevel vocati antedicti Willelmi, scilicet illam medietatem dicti muri lapidei que sita est versus dictam hereditatem dicti Willelmi, atque particulam hereditatis sitam contique iuxta dictam medietatem dicti muri lapidei ad dictam longitudinem dicti muri lapidei pro stillicidio dicte domus dictorum Walteri, lohannis et Theoderici Rovers.
46.GAH, R. 1175, fol. 60: domum et aream ad vicum tendentem de Foro versus portam Captivorum, inter hereditatem Walteri de Beer ze ex uno et inter hereditatem Iutte dicte Snellenken (?) ex alio, cum penu supra dica domo consistente.

Martin W.J. De Bruijn, 20 januari 1997